Pompen en blazen
In het kader van mijn stage heb ik vandaag een cursus ACLS, Advanced Cardiac Life Support, gevolgd in het ziekenhuis in Tilburg. Volgens verwachting was ik de enige wiskundige in de zaal, mijn medecursisten waren 5 co-schappenlopers, 2 verplegers, twee OK-medewerkers, een gynaecoloog in spe, en een paar artsen. Bij binnenkomst moest er meteen een “pre-test” gemaakt worden, waarin de vaardigheden werden getoetst die we opgedaan hadden moeten hebben bij BLS (basic life support). Mijn score: 6 uit 15, gezakt dus — in BLS worden dus niet alleen maar trivialiteiten verkondigd.
Hierna moest er gewerkt worden: vijf dode poppen moesten worden gereanimeerd (het zogenaamde “pompen en blazen”). Ik heb mijn pop weliswaar niet tot leven kunnen wekken, maar volgens zijn sensoren was mijn reanimatietechniek dik in orde: 0 strafpunten op de offici√´le schaal.
In de middag is er een hoop verteld over het gevorderde pomp- en blaaswerk, maar door een hoog gehalte aan jargon is mij hiervan een hoop ontgaan. Wel weet ik nu een handige richtlijn voor de dosering van medicijnen: geen gelul, één ampul. Verder komt het vooral neer op foefelen met infuzen en dingetjes, en hoppelijk komt Annie (zo heette de pop) er weer bovenop.
Ook hebben we Annie met de defibrillator gedefibrilleerd (“bed los!”). Ik weet nu dat het met een rechtlijnig electrocardiogram, dus een met een monotone piep, niet zinvol is te defibrilleren; er fibrilleert immers niks. Dit wordt in ziekenhuisseries vaak wel gedaan, waarschijnlijk omdat het er tamelijk tof uitziet.