Ouderwets spelen
Guido Skype-te vanochtend of hij even kon komen pingpongen. Dat kan natuurlijk altijd. Een kwartier later was hij er. M’n kamer was (en is) nog een beetje te rommelig om mensen te ontvangen, m’n plan was om daar vandaag wat aan te doen. Dat ga ik straks dus doen. Enfin, ik heb Guido buiten even laten wachten tot ik de batjes had.
Het pingpongen ging aardig, we hebben tijdens de warming-up bijgekletst, waarna ik twee keer overtuigend van Guido heb verloren. Toen was het alweer tijd voor pauze (in de provisorisch opgeruimde kamer). Daarna hebben we – eindelijk – m’n nieuwe pogo uitgeprobeerd. Guido had ook nog nooit gepogood, dus we moesten het allebei helemaal leren. Na een half uur oefenen op het plein kunnen we het nu allebei hooguit “beter”. Ik heb het voor elkaar gekregen om zo’n 30 meter te pogoën. Snel gaat het echter nog niet, Guido kon dezelfde afstand sneller pogoën zonder pogo (gewoon hupsen). Het is wel een heel vermoeiende sport, en ook erg belastend voor de knieën: daar komt steeds een schroefje tegenaan.
Tijdens het uithijgen op m’n kamer zag Guido m’n typemachine staan. Die hebben we meteen even geprobeerd. Guido kan ook een behoorlijk repertoire reciteren, dus aan stof tot typen was geen gebrek. Ik bedacht dat ik ook nog carbonpapier heb liggen, dat we natuurlijk ook even hebben gebruikt. Ik heb nu een prachtige doordruk van “Sint Dracus en de joor” boven m’n bed hangen.